trekken

(doorverwezen van trok)
Thesaurus

trekken:

voorttrekken
Vertalingen

trekken

wandern, ziehen, abzeichnen, anziehen, biegen, entlocken, entziehen, extrahieren, hinken, humpeln, sich beugen, streichen, verziehen, zapfen, zeichnen, zücken, malen, trassieren, treckendraw, pull, drag, haul, migrate, roam, wander, attract, bend, design, limp, makeastroke, tug, wanderabout, tow, trektirer, attirer, abaisser, allécher, appâter, dessiner, solliciter, retirer, tirer un trait, voyager au loin, avoir un tic (nerveux) (à), etc], être absorbé (par), être attiré (par), faire infuser [thé, laisser mijoter, prendre, prendre (dans), s'en aller, sortir (de), tirer (sur), toucher, tracer, traîner (qc), dégager, traîner, faire un péripleтянуть, путешествоватьtrascinare, fare trekking, tirareيَجْذِب, يَمْشي في أرضٍ وَعْرَةjít na túru, táhnouttrække, vandreκάνω οδοιπορικό, τραβώcaminar, tirarvaeltaa, vetääizvući, pješačiti引く, 苦難に耐えつつ旅をする...을 잡아당기다, 고생하며 여행하다reise langt, trekkepociągnąć, wędrowaćcaminhar, puxar, desenhardra, resaเดินอย่างช้าๆ, ดึงçekmek, zahmetli bir yürüyüşe çıkmakđi bộ vất vả, kéo, 艰苦跋涉, 绘制繪製 (ˈtrɛkə(n))
werkwoord onovergankelijk
enkelvoud onvoltooid verleden tijd trok , voltooid deelwoord heeft getrokken
1. met kracht naar je toe halen iemand aan de haren trekken een kies trekken
erg je best doen voor iets
betalen
iemand overtuigen iets te doen
opvallen
2.
voltooid deelwoord is getrokken
een tocht maken naar of door een genoemde plaats of gebied De eenden trokken naar het warme zuiden. zes maanden door Latijns-Amerika trekken
3. een luchtstroom doorlaten De schoorsteen trekt niet goed.
4. (bij iemand) belangstelling oproepen voor De bokssport trekt me absoluut niet.
5. <in allerlei uitdrukkingen zonder duidelijke betekenis>
ergens aan twijfelen
in een zwembad op en neer zwemmen
bouillon maken door kruiden, groenten of vlees in kokend water te laten sudderen
ik weet niet hoe het is of zal gaan
ik kan het niet meer
moeilijk lopen omdat één been niet goed mee gaat