trekker

Thesaurus

trekker:

trekster
Vertalingen

trekker

Wanderertractortracteur, attraction, campeur/-euse, chaîne, gâchette, personne qui tire qc, prestataire, détente (ˈtrɛkər)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
1. motorvoertuig met grote, brede en geprofileerde achterbanden waarmee je karren en machines trekt, vooral in de landbouw een optocht van antieke trekkers
2. onderdeel van iets waaraan je moet trekken om het te laten functioneren (van de wc, de bel of een vuurwapen)
schieten (met een geweer of pistool)