trek

Vertalingen

trek

Appetit, Auszug, Gesichtszug, Wanderschaft, Wanderung, Ziehung, Zugfeature, appetite, trait, pull, draft, lineamenttrait, appétit, migration, coup, courant d'air, faim, traction, traits, envie, tirageappetito (trɛk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -ken
1. kenmerk van iemands gezicht of karakter een gezicht met scherpe trekken Dat is een naar trekje van zijn karakter.
dat is ongeveer het verhaal
op dezelfde vervelende manier worden behandeld als jij anderen behandelt
krijgen wat je wilt
2. meervoud g.mv. luchtstroom Ik voel de trek langs me gaan. een trekje van een shagje
3. meervoud g.mv. zin in eten trek hebben
zin hebben om te snoepen
populair en gewild zijn
4. meervoud g.mv. jaarlijkse tocht van vogels naar warme gebieden en weer terug de jaarlijkse trek van de eenden naar het warme zuiden