toch

Thesaurus

toch:

weliswaar
Vertalingen

toch

aber, allerdings, dennoch, doch, freilich, immerhin, ja, ja doch, jedoch, wohl, zwarhowever, nevertheless, surely, but, certainly, indeed, rather, yet, anyway, still, so, then, thereforecependant, pourtant, si, donc, certes, d'abord, néanmoins, tout de même, au fond, de toute façon, effectivement, en effet, en fin de compte, non?, toujoursin ogni modo, pure, qualunque sia (tɔx)
bijwoord
1. ondanks dat Ik heb vannacht goed geslapen, en toch ben ik moe.
<opmerking die je maakt om aan te geven dat je iets gaat doen ook al is het je door anderen afgeraden of verboden>
2. <woord dat geen eigen betekenis heeft maar vaak wordt gebruikt om ergens nadruk op te leggen> Wat doe je toch raar! Het is prachtig weer, ga toch fietsen! Je weet toch dat ik geen vlees eet.