tijd

Thesaurus

tijd:

tijdstip
Vertalingen

tijd

Zeit, Tempus, Uhrzeittime, while, age, tensetemps, durée, heure, saison, jours, périodeκαιρός, χρόνος, ώραora, tempoوَقْتčas, dobaklokken, tidhora, tiempoaikavrijeme時刻, 時間시간tidczas, godzinahora, tempoвремяklockan, tidเวลาsaat, zamangiờ, thời gian时间 (tɛit)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. opeenvolging van de momenten tussen vroeger en later
helemaal geen haast hebben
geen haast hebben
het moet snel gebeuren
de tijd gaat snel voorbij
iets doen waardoor het lijkt dat de tijd sneller gaat
dat kan wachten
dat zullen we later weten
uiteindelijk gaat al het verdriet voorbij
als ik dan nog leef
heel snel
als er een periode voorbij is
2. bepaald punt in een opeenvolging van momenten
op het afgesproken moment komen
het moment is echt daar om weg te gaan
soms
af en toe, soms
(van vrouwen) niet ongesteld worden op het uitgerekende moment (en dus misschien zwanger zijn)
weet u hoe laat het is?
altijd
op een later, nog niet bepaald moment
3. deel van de opeenvolging van momenten lange/geruime tijd
de uren en dagen dat je niet werkt
je tijd is voorbij
in de periode dat Filips de Schone aan de macht was
achterhaald, ouderwets zijn
modern zijn
4. taalkunde rijtje van werkwoordsvormen die het heden, verleden of toekomst aanduiden de verleden tijd de toekomende tijd
de werkwoorden 'hebben', 'zijn' en 'zullen'