tic

Vertalingen

tic

Zwillichtic, twich, habittic, manie, folieTicטיקticTicticTic (tɪk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
1. beweging die je steeds maakt zonder dat je dat wil (bijvoorbeeld je wenkbrauwen optrekken) een tic hebben
2. typische gewoonte Hij draagt nooit sokken, dat is een rare tic van hem.
3. scheut alcohol in je frisdrank jus d'orange met een tic