thuis

Vertalingen

thuis

(tœys)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
woning waar je woont en waar je je prettig voelt In Utrecht heb ik mijn tweede thuis gevonden.

thuis

daheim, heim, Haus, zu Hause, Zuhausehome, athomeà la maison, chez-soi, domicile, chez (qn, etc), moi, toi, foyer, maisonبِالبَيْتِ, بَيْتdoma, domovhjemσπίτι, σπίτι μουa casa, hogarkoti, kotonadom, kućia casa, casa我が家へ, 自宅집, 집에hjemdo domu, domlar, para casaдом, домой, домаhemที่บ้าน, บ้านev, evdenhà, ở nhà回家, (tœys)
bijwoord
in je eigen woning Is er iemand thuis? niemand thuis treffen
je ergens op je gemak voelen
het jezelf gemakkelijk maken
als volwassene nog bij je ouders wonen
niet reageren
niet aankomen
waar je samen aan begint, moet je ook samen afmaken