| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.783.721.296 Bezoekers. |
|
af |
0,02 sec. |
|
af bw af [ɑf]
1 klaar;= gereed; onaf Is je huiswerk af? 2 naar beneden of weg van iets Hij loopt dan de trap af. Na zeven jaar ging hij van zijn vrouw af. af en aan heen en weer Vogels vliegen hier af en aan. op iemand of iets af naar iemand of iets toe terug bij af zijn weer zover zijn als toen je begon af en toe zo nu en dan;= soms; vaak We gaan af en toe naar de sportschool. Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|