temmen

Vertalingen

temmen

abrichten, bändigen, besänftigen, dämpfen, dressieren, zähmen, züchtigentame, trainapprivoiser, apaiser, dresser, pacifier, dompter, refrénerdomar (ˈtɛmə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd temde , voltooid deelwoord heeft getemd
tam (1) maken wilde leeuwen temmen