tellen

Vertalingen

tellen

zählen, aufzählen, berechnen, erachten, kalkulieren, rechnencount, calculate, figure, workout, censuscompter, calculercontarсчитать, пересчитатьيَحْسَبُ, يَحْسُبُpočítat, spočítattælleμετρώlaskeabrojati, brojiticontare・・・を数える, 数える세다, 수를 세다telleliczyć, policzyćcontar, contagemräknaนับsaymakđếm, 计数計數 (ˈtɛlə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd telde , voltooid deelwoord heeft geteld
1. getallen in een oplopende volgorde opnoemen (1, 2, 3, 4, 5 enz.) Ik tel tot drie en dan moet je stoppen. op je vingers tellen
erg onnozel zijn
er goed op letten dat je geen fouten maakt
2. het aantal van iets bepalen vijf erbij tellen
ik zie dat er acht schapen zijn