tegen

Vertalingen

tegen

(ˈtexə(n))
bijwoord
1. voor (woord dat uitdrukt dat je het niet met iets eens bent) tegen een beslissing stemmen
niet willen dat iets gebeurt
2. mee in je nadeel Het zit me tegen. de schijn tegen je hebben

tegen

gegen, an, für, gegenüber, in, nach, um, um zu, wider, zuagainst, to, toward, towards, acrossfrom, at, for, inexchangefor, inorderto, opposedto, opposite, per, upon, back, by, fight, fromcontre, vers, à, en, pour, envers, afin de, en face de, contraire à, moyennant, près (de), surεναντίον, σεcontro, in confronto, inversoضِدَّproti, umodcontravastaanna, protiv・・・にもたれて, ・・・に対抗して...에 반대하여, …에 대항하여motprzeciw, przeciwkocontraпротивmotพิง ติดกับ, สู้กับ ต้านkarşıchống lại, dựa vào与…对阵, 针对срещу (ˈtexə(n))
voorzetsel
1. in aanraking met tegen de muur leunen tegen de bal schoppen
betrapt worden
2. mee in de omgekeerde richting tegen het verkeer in tegen de stroom op
3. ter bestrijding van een aspirine tegen de kiespijn vechten tegen de slaap Het Nederlandse elftal heeft tegen Duitsland met 1-0 gewonnen.
4. volgensconform in strijd met Dat is tegen de voorschriften.
5. voor niet eens
het er helemaal niet mee eens zijn