tand

Vertalingen

tand

Zahn, Zacken, Zinketoothdentδόντιdientedenteسِنّzubtandhammaszub, zubac이 모양의 것, 치아tannząbdenteзуб, зубецtandซี่หวี เลื่อย หรือซิป, ฟันdişrăng, 齿 (tɑnt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. elk van de scherpe, uitstekende botjes voor in je mond waarmee je bijt je tanden poetsen
een dreigende houding aannemen
ergens erg je best voor doen maar niet het gewenste resultaat behalen
aan een zware klus beginnen
iemand streng ondervragen
doorzetten en je boosheid of pijn niet laten merken
slijtage door ouderdom
met veel wapens
2. uitstekende, smalle deeltjes van bijvoorbeeld een kam, zaag, vork of rad de tanden van een zaag zetten tandwiel