| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.769.215.225 Bezoekers. |
|
tand |
0,01 sec. |
|
tand zn m tand (-en mv) [tɑnt]
1 elk van de scherpe, uitstekende botjes voor in je mond waarmee je bijt je tanden poetsen 2 uitstekende, smalle deeltjes van bijvoorbeeld een kam, zaag, vork of rad je tanden laten zien een dreigende houding aannemen je tanden stuk bijten op iets ergens erg je best voor doen maar niet het gewenste resultaat behalen je tanden ergens in zetten aan een zware klus beginnen iemand aan de tand voelen iemand streng ondervragen je tanden op elkaar zetten doorzetten en je boosheid of pijn niet laten merken de tand des tijds slijtage door ouderdom haar op je tanden hebben jezelf verdedigen door een beetje bazig te zijn tot op de tanden gewapend met veel wapens Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|