surfen

Thesaurus

surfen:

windzeilen
Vertalingen

surfen

surfer, faire de la planche à voile, naviguer, surfer [ordinateur], surfsurfensurf, navigate, surfingرُكُوبُ الأَمْوَاج, يَرْكَبُ الأَمْوَاجsurfování, surfovatsurfe, surfingσερφάρω, σέρφινγκhacer surf, surfingsurffata, surffaussurfanje, surfatipraticare il surf, surfサーフィン, サーフィンをする서핑, 파도타기를 하다surfe, surfingsurfowanie, uprawiać surfingsurf, surfar, surfeзаниматься серфингом, серфингsurfa, surfningเล่นกระดานโต้คลื่น, การเล่นกระดานโต้คลื่นsörf yapma, sörf yapmaklướt sóng, môn lướt sóng冲浪, 冲浪运动 (ˈsʏrfə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd surfte , voltooid deelwoord heeft gesurft
1. sport op een surfplank over de branding bewegen
je door de wind over het water laten zeilen op een grote plank met een mast en een zeil
2. zoeken op internet Als je even surft op internet, dan vind je het zo.