stuur

Thesaurus

stuur:

stuurwiel
Vertalingen

stuur

Lenkrad, Ruder, Steuer, Steuerrad, Zügelhelm, joystick, rudder, handlebars, steering‐wheelgouvernail, gouvernail [bateau], guidon [vélo], volant [voiture], volantremo, tassa (styr)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud sturen
voorwerp waarmee je de richting van een voertuig bepaalt het stuur van je fiets het stuur van je auto