struikelen

Vertalingen

struikelen

stolpern, strauchelnstumble, triptrébucher, achopper, faire un faux pas, marcher (sur), sur), trébucher (contreincespicare, inciampareيَتَعَثَّرُ, يُعَثِّرُzakopnoutsnubleπαραπατώ, σκουντουφλώtropezarkompastuaspotaknuti seつまずく걸려 넘어지다, 걸려 넘어질 뻔하다snuble, utløsepotknąć siętropeçarпутешествовать, спотыкатьсяsnubblaสะดุดayağı takılmak, tökezlemekvấp绊倒, 蹒跚 (ˈstrœykələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd struikelde , voltooid deelwoord is gestruikeld
1. bijna vallen of vallen doordat je voet ergens achter blijft steken Ik ben gestruikeld over een scheve stoeptegel.
2. gehinderd worden of moeten stoppen door (een oorzaak) Grote infrastructuurprojecten struikelen over het recht van inspraak van de burgers.
3. heel veel (van iets) tegenkomen Op koopzondagen struikel je over de mensen.