struik

Vertalingen

struik

Gebüsch, Strauch, Staude, Buschbush, shrubarbuste, buissonarbustoarbusto, boschetto, cespuglioشُجَيْرَةkeřbuskθάμνος, χαμόδεντροpensasgrm低木관목buskkrzak, krzewarbustoкустарник, кустbuskeต้นไม้เตี้ย, พุ่มไม้çalıcây bụi灌木, 灌木丛 (strœyk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. grote plant met dunne takken planten, struiken en bomen in de tuin hebben
2. krop een struik andijvie