strop

Vertalingen

strop

Verlustloss, abortion, nooseperte, préjudice, corde, lacet, tuile, élinguecapestro, perdita (strɔp)
zelfstandig naamwoord meervoud -pen
1. lus in een touw die je kleiner kunt trekken De strop werd vroeger gebruikt om terdoodveroordeelden mee op te hangen.
2. grote pech Door de regen had de organisatie van het openluchtconcert een grote strop.