stronk

Vertalingen

stronk

Stummel, Stumpfmoignon, tronçon, souche (d'arbre), trognon, truisse (strɔŋk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. stomp van een afgezaagde boomstam boomstronk
2. harde binnenste van bepaalde groenten de stronk van een krop sla