stromen

Vertalingen

stromen

fließen, strömen, rinnenflow, pourcouler, affluer (vers), se rendre (à), ruisselercorrente, fluire, fluviale, scorrereيَتَدَفَّقُprouditstrømmeκυλώfluirvirratateći流れる흐르다strømmepopłynąćfluirтечьflytaไหลakmakchảy流动 (ˈstromə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd stroomde , voltooid deelwoord is, heeft gestroomd
1. (van vloeistoffen) in één richting voorwaarts gaan Het water in de rivier stroomt bijna niet. De beek stroomt door het dal.
water uit de kraan
2. (van mensen) met heel veel mensen tegelijk in één richting gaan Na het festival stroomde het publiek naar buiten.