strikken

Vertalingen

strikken

nouer, prendre au piège (ˈstrɪkə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd strikte , voltooid deelwoord heeft gestrikt
1. zo knopen dat er een strik (1) ontstaat of een andere knoop die makkelijk losgaat de veters van je schoenen strikken een stropdas strikken
2. (iemand) op een handige manier overhalen om iets voor je te doen Ik moet nog iemand strikken om de meubels voor me naar boven te sjouwen.