strik

Vertalingen

strik

Band, Masche, Schleife, Schlinge, Haarschleifeloop, mesh, bownœud, maille, lacet, collet, piège, rosette, bouclecappio, nodoأُنْشُوطَة, القوسkličkasløjfeφιόγκοςlazorusettimašnaちょう結び, 弓매듭knutekokardkalaçoузел бантик, лукknutโบว์papyon蝴蝶结, קשת (strɪk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -ken
1. twee lussen van touw of lint die aan elkaar geknoopt zitten een strik in je haar in plaats van een stropdas een strikje dragen
2. apparaat om kleine dieren te vangen Het beeld van een konijn in de strik vergeet ik niet gauw.