stop

Thesaurus

stop:

zekering
Vertalingen

stop

(stɔp)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -pen, -s
1. dopje om iets af te sluiten de stop in de douchebak een stop op een fles
2. voorwerp in je meterkast dat de stroom onderbreekt als dat nodig is We zitten zonder licht: de stoppen zijn doorgeslagen.
3. plaats waar een gat gestopt (4) is twee stoppen in je sok hebben
4. korte onderbreking We reden de hele dag door en hadden maar twee stops.
5. besluit om iets stil te zetten een tijdelijke stop instellen op de bouw van nieuwe bedrijfsterreinen personeelsstop

stop

Pfropfen, Spund, Stöpselstop, stopper, electricplug, patch, plugbouchon, plomb, prise de courant mâle, arrêt, arrête(z)!, reprise, tampon, tape, bonde, halteStopStoppararSeisหยุด停止停止 (stɔp)
tussenwerpsel
<je zegt dit als iemand stil moet gaan staan of moet ophouden met iets> Toen de politieauto het licht met 'stop' liet schijnen, ben ik naar de kant gereden.