stoot

Vertalingen

stoot

Anstoß, Pik, Rütteln, Schütteln, Schüttern, Stich, Stoß, Treffen, Triebprick, push, spades, sting, chick, dishcoup, choc, poussée, piqûre, à-coup, cargaison, masse, secousse (stot)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud stoten
1. korte harde duw
een gemene, agressieve opmerking
veel kunnen verdragen
2. grote hoeveelheid In de haven ligt een hele stoot vissersboten. Ik heb nog een stoot werk te doen.