stomp

Thesaurus

stomp:

stronk
Vertalingen

stomp

(stɔmp)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. harde stoot met je vuist iemand een stomp geven tegen zijn arm
2. kort overgebleven stuk (van iets) Zijn benen zijn geamputeerd en nu zit hij in een rolstoel met twee stompen. Er ligt nog maar een stompje krijt bij het schoolbord.

stomp

Stummel, stumpfblunt, dull, obtuse, stubmoignon, obtus, tronçon, bout, coup (de poing), émoussé, tronqué, contondant, coup de poing, doux, grave, mousse, sourd, ternespuntato, matriceجَذْلnedopalekskodαποτσίγαροcolillatynkäopušak使い残り토막sneipkońcówkapontaобрубокstumpส่วนที่เหลืออยู่izmaritmẩu存根 (stɔmp)
bijvoeglijk naamwoord
scherp;puntig met een breed en dik uiteinde een stompe toren de stompe kant van een ei