stom

Vertalingen

stom

stumm, albern, dumm, sprachlos, blöd, doofdumb, mute, speechless, addled, foolish, stupid, inane, sillyidiot, muet, stupide, muet/muette, silencieux, sot, bête, bêtement, ennuyeux/-euseβλάκας, μουγγόςmutoأبْكَمněmýstummudomykkänijem口のきけない말을 못하는stumniemymudoнемойstumโง่dilsizcâm哑的 (stɔm)
bijvoeglijk naamwoord
1. ongunstig als je dom bent of doet, of als iets daar blijk van geeft een stomme fout
2. als iets of iemand saai of vervelend is stomme verhaaltjes stom werk
3. als je niet kunt praten, of als er niet hoorbaar gesproken wordt Door een ziekte aan zijn stembanden is hij stom geworden. een stomme film
4. waar je niet op rekent stom geluk stom toeval