stemmen

Vertalingen

stemmen

stimmen, votieren, abstimmenvote, tunevoter, accorder, accorder [musique], disposer, élire, réglermelodia, votareيُصَوِّتُhlasovatstemmeψηφίζωvotaräänestääglasati投票する투표하다stemmezagłosowaćvotarголосоватьröstaลงคะแนนเสียงoy vermekbầu cử投票, (ˈstɛmə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd stemde , voltooid deelwoord heeft gestemd
1. politiek je stem (3) uitbrengen bij een verkiezing of een stemming (2) gaan stemmen in het stembureau
2. muziek zorgen dat (een muziekinstrument) de goede toonhoogte heeft en niet vals klinkt een viool stemmen Voor het concert begint, stemt het orkest.
3. psychologie (iemand) in de genoemde stemming (1) brengen Dat hij goed geneest, stemt me hoopvol voor de toekomst.