stel

Vertalingen

stel

Ar, Vollzähligkeit, Satzpair, outfit, set, suit, bevy, collection, group, heap, herdcouple, ensemble, bande, paire, collection, troupe, série, suite, jeu, assortiment, garnitureprocedimento, vestito, setمَجْمُوعَةsadasætσετjuegosettisetひとそろい한 벌settzestawconjuntoнаборset, Angeชุดtakımbộ一套, 设置設置 (stɛl)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -len
1. bij elkaar horende dingen op pad gaan met een rugzak en één stel extra kleren peper-en-zoutstel
2. twee bij elkaar horende personen Zij zijn sinds de vakantie een stel.
3. niet al te groot aantal met een stel vriendinnen gaan kamperen