stapel

Vertalingen

stapel

Stapel, Haufen, irre, Menge, toll, verrückt, wahnsinnig, Werftpile, stack, accumulation, crazy, crowd, heap, insane, mad, mass, multitude, nutstas, aberrant, amas, fou, foule, masse, pile, agité, multitude, Staple, âme [violon], cale, paquet, colonne, échafaudage, monticule, amoncellementαποκλίνων, στοίβαكَوْمَةٌ مُنْتَظِمَةhromadastakmontón, pilapinohrpacatasta積み重ね더미stabelstógpilhaштабельtraveกองที่ซ้อนกันyığınđụn堆栈 (ˈstapəl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
1. hoeveelheid spullen op elkaar een stapel boeken
2. (iets) beginnen een project op stapel zetten
3. (iets) sneller doen dan wenselijk Zij wil zo graag een vriend dat ze tijdens een gesprek te hard van stapel loopt en dat schrikt mannen af.