stam

Thesaurus

stam:

volksstamstamvorm,
Vertalingen

stam

Stamm, Abkunft, Baumstamm, Geschlecht, Gezücht, Sippe, Strunk, Wurzel, Volksstammtribe, trunk, stem, clan, race, root, ethnicgroup, radical, tree‐trunk, family, tree trunktribu, tronc, racine, lignée, radical [langue], clantronckmenκορμός, φυλήtronco, tribupuunrunko, runko, heimodeblo, stablo, plemefatörzs, törzstronco, sollevare, tribù幹, 部族그루, 부족truncuspień, plemiętronco, tribotrunchiствол, основа, племяdeblodeblo, stablo, stromstamقَبِيلَةstammestammeเผ่าkabilebộ tộc部落, 应变щам應變 (stɑm)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -men
1. deel van een boom van de grond tot aan de takken een dikke, bemoste stam
2. groep mensen met een eenvoudige samenleving en een eigen cultuur een primitieve stam stamoudste
3. taalkunde vorm van een woord zonder de uitgangen van buiging of vervoeging De stam van 'rijden' is 'rijd'.