sprint

Thesaurus

sprint:

spurt
Vertalingen

sprint

sprintdash, sprintسِبَاقٌ قَصِيرٌ سَريعsprintspurtSprintσπριντcarrera corta, sprintpikajuoksutrksprint短距離競走단거리 경주sprintløpsprintcorrida de curta distânciaспринтspurtการแข่งวิ่งเร็วในระยะสั้นkısa mesafe hız koşususự chạy nước rút疾跑Спринт (sprɪnt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en, -s
1. sport wedstrijd wie het snelst een korte afstand aflegt Ze won het Nederlands kampioenschap sprint.
2. korte periode dat je heel hard loopt of fietst eindsprint De wielrenner won de etappe door een sprint in de laatste minuten. Ik nam een sprint en haalde nog net de bus.