| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.758.749.738 Bezoekers. |
|
spreken |
0,03 sec. |
|
spreken ww spreken (sprak enk ovt; heeft gesproken volt deelw) [ˈsprekə(n)]
1 woorden zeggen;= praten De penningmeester zal in de vergadering spreken over de financiële situatie. 2 een gesprek hebben met (iemand) We spreken elkaar morgen. 3 (een taal) beheersen Zij spreekt goed Frans. met twee woorden spreken niet alleen 'ja' of 'nee' antwoorden, maar met een woord voor de persoon die je antwoord geeft Dat spreekt vanzelf/voor zich dat is zo duidelijk dat je er niet over hoeft te praten;= dat is logisch Dat spreekt boekdelen. dat is veelzeggend Ze zei niets, maar haar gezicht sprak boekdelen. niet te spreken zijn over ontevreden zijn over (iets of iemand) Vertalingen spreken discours, parler, parole, avec), parler (à, se manifester, déclamer, converser, parler français comme une vache espagnole spreken μιλώ, συντυχαίνω spreken говорить spreken discorrere, favellare, parlare spreken يتكلم spreken mluvit spreken tale spreken hablar spreken puhua spreken govoriti spreken 話す spreken 말하다 spreken snakke spreken powiedzieć spreken falar spreken tala spreken พูด spreken konuşmak spreken nói spreken 发言 Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|