spits

Thesaurus
Vertalingen

spits

(spɪts)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. erg drukke tijd in het verkeer In de spits zijn er veel files. ochtendspits avondspits
2. puntig uiteinde de spits van een kerktoren
3. sport voetballer die vooraan in het veld speelt een aanvallend spelende spits
4. te lang met (iets) doorgaan waardoor het erger wordt dan het is Je moet het conflict niet op de spits drijven.

spits

Kulm, spitz, Spitze, spitzfindig, Stift, Zacke, Zinke, Zipfelpeak, point, pointed, summit, acute, astute, shrewd, spiked, tip, cusp, rush hourpointe, pointu, cime, bout, sagace, avant-garde, avisé, sommet, avant de pointe [sport], avec sagacité, en pointe, heures de pointe, avant, fincùlmine (spɪts)
bijvoeglijk naamwoord
1. in een punt uitlopend schoenen met een spitse neus
2. als je een helder verstand hebt, of als iets daar blijk van geeft een spitse gedachte spitse humor