spartelen

Vertalingen

spartelen

sich sträuben, zappelnflounder, struggle, writhese débattre, se démener, barboter, remuercombattimento (ˈspɑrtələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd spartelde , voltooid deelwoord heeft gesparteld
je wild bewegen De vis spartelt heen en weer aan de haak van de hengel. De kinderen spartelen in het zwembad.