snuit

Thesaurus

snuit:

tronie
Vertalingen

snuit

Rüsselproboscis, trunk, snoutmuseau, trompe, bec, frimousse, poirehocico (snœyt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. bek en neus van een dier de snuit van een varken De hond rook met zijn natte snuit aan mijn broek.
2. gezicht een vrolijke snuit