snor

Vertalingen

snor

Schnurrbartmoustache, mustachemoustachebigotebaffiشَارِبٌkníroverskægμουστάκιviiksetbrk口ひげ콧수염bartwąsybigodeусыmustaschหนวดbıyıkria小胡子 (snɔr)
zelfstandig naamwoord meervoud -ren
1. niet weggeschoren haar tussen de mond en de neus van een man hangsnor
2. proberen iets niet te hoeven doen Toen ik zag wat er allemaal te doen was, heb ik mijn snor gedrukt.
3. in orde zijn Kunnen we hem vertrouwen? Ja, dat zit wel snor.