snoepje

Vertalingen

snoepje

bonbon, trésor [enfant], friandise, boule, dessertsweet, dessertحَلْوَىsladkostslikBonbonγλυκόcaramelomakeinenslatkodolce甘いもの사탕sukkertøycukierekdoceконфетаgodsakของหวานşekerkẹo甜点 (ˈsnupjə)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -s
stukje snoep Wil je een snoepje?