snijden

(doorverwezen van sneed)
Vertalingen

snijden

schneiden, entmannen, kastrieren, verschneiden, schnitzen, sich schneidencut, castrate, fleece, slice, dice, whittle, carvecouper, tailler, trancher, découper, (se) couper, faire une queue de poisson (à), tailler [au couteau], pincer, gravure, se coupercastrare, intagliare, tagliareيُقَطِّعُ, يَقْطَعُ, يَنْحِتُřezat, říznout se, vyřezatskære, udskæreκόβομαι, κόβω, λαξεύωcortar, cortarse, tallarkaivertaa, leikataporezati se, rezbariti, sjeći切ってけがをする, 切る, 彫る...을 새기다, 자르다skjære, kutteskaleczyć się, uciąć, wyrzeźbićcortar, talharвырезать, порезаться, резатьskäraแกะสลัก, ตัด, บาด ทำให้บาดkesmek, oymakcắt, cắt trúng tay, chạm khắc, 割伤, 雕刻 (ˈsnɛidə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd sneed , voltooid deelwoord heeft gesneden
1. een snee (1) maken (in iets), of (iets) in stukken delen met een mes of ander scherp voorwerp je in je vinger snijden als je een appel schilt brood snijden de cake in plakken snijden
heel hevig zijn De rook is te snijden. De spanning is te snijden.
2. (met een vervoermiddel) plotseling van opzij voor iemand anders gaan rijden iemand snijden, waardoor hij moet remmen
3. (van lijnen) op één punt door elkaar heen gaan Waar de lijnen elkaar snijden, zijn vraag en aanbod in evenwicht.