snauwen

Thesaurus

snauwen:

toesnauwen
Vertalingen

snauwen

dire d'un ton hargneux, rudoyer (qn), grogner (ˈsnɑuwə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd snauwde , voltooid deelwoord heeft gesnauwd
boos en kortaf praten (tegen iemand) Ze snauwde tegen me dat ik een rotvent ben.