| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.727.190.269 Bezoekers. |
|
slapen |
0,01 sec. |
|
slapen ww slapen (sliep enk ovt; heeft geslapen volt deelw) [ˈslapə(n)]
1 in slaap (2) zijn;= maffen; waken diep slapen slecht slapen 2 je aandacht ergens niet bij hebben;= suffen Zit niet te slapen. Opletten. 3 (van ledematen) raar tintelen als er even te weinig bloed doorheen stroomt Ik heb te lang met mijn benen over elkaar gezeten en nu slaapt mijn rechterbeen. slapend rijk worden rijk worden zonder er veel voor te doen Vertalingen slapen schlafen slapen dormir, coucher (avec qn), être engourdi, reposer, coucher slapen κοιμάμαι slapen dormir slapen sove slapen спать slapen dormicchiare, dormire, sonno slapen ينام slapen spát slapen sove slapen nukkua slapen spavati slapen 眠る slapen 자다 slapen spać slapen dormir slapen sova slapen นอน slapen uyumak slapen ngủ slapen 睡觉 Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|