slaap

Vertalingen

slaap

Schlaf, Schläfetemple, sleepsommeil, tempe, chassiechrám, spánektempiosien, sueñotemppeli, unitemplokuil, puratempia, sonno蟀谷, 眠りaedes, templumskroń, sensono, fontes, templo, têmporachrámtinning, sömnşakak, uykuύπνοςنَوْمsøvnsansøvnсон, високการนอนหลับtrạng thái ngủ睡眠 (slap)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud slapen
1. anatomie zijkant van je hoofd vlakbij je oog een litteken op je linkerslaap
2. toestand van volledige rust van lichaam en geest, of de behoefte daaraan in slaap vallen tegen de slaap vechten slaap hebben