skelet

Vertalingen

skelet

Skelett, Gebein, Gerippe, Knochengerüstskeletonsquelette, membrure, charpenteскелетscheletroهَيْكَلٌ عَظْمِيّkostraskeletσκελετόςesqueletoluurankokostur骨格해골skjelettszkieletesqueletoskelettโครงกระดูกiskeletbộ xương骷髅 (skəˈlɛt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ten
1. geheel van alle botten van een menselijk of dierlijk lichaam Af en toe zag je het skelet van een koe liggen.
2. (van een gebouw) balken en andere onderdelen die er stevigheid aan geven Het skelet staat, maar de afwerking gaat nog meer dan een jaar duren.