sigaar

Vertalingen

sigaar

Zigarrecigarcigare, cigarillocharutosigaroسِيجَارdoutníkcigarπούροcigarrosikaricigara葉巻시가sigarcygaroсигараcigarrซิการ์purođiếu xì gà雪茄пура雪茄סיגר (siˈxar)
zelfstandig naamwoord meervoud -garen
1. rolletje tabak om te roken een sigaar opsteken sigarenpeuk
2. het slachtoffer zijn Daar komt de politie! Nu ben ik de sigaar: ik rijd veel te hard.