sieren

Vertalingen

sieren

aufputzen, ausputzen, schmücken, verzierendecorate, adorn, ornamentdécorer, orner, parer (ˈsirə(n)Ç)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd sierde , voltooid deelwoord heeft gesierd
mooi maken Bossen, weiden en windmolens sieren het landschap.
het is in iemand te prijzen dat... Dat ze ondanks alles heeft volgehouden, siert haar.