settelen

Thesaurus

settelen:

vestigen
Vertalingen

settelen

定居定居 (ˈsɛtələ(n))
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd settelde zich , voltooid deelwoord heeft zich gesetteld
(ergens) gaan wonen en een regelmatig leven gaan leiden wel vijftien relaties gehad hebben voor je je met je vriendin gaat settelen en aan kinderen begint te denken