| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.727.268.785 Bezoekers. |
|
seizoen |
0,01 sec. |
|
seizoen zn onz seizoen (-en mv) [sɛiˈzun]
1 elk van de periodes van drie maanden in een jaar: lente, zomer, herfst, winter;= jaargetijde 2 deel van een jaar met een bepaald kenmerk of bepaalde bestemming toeristenseizoen jachtseizoen Vertalingen seizoen Jahreszeit, Saison seizoen season seizoen saison seizoen εποχή seizoen موسم seizoen roční období seizoen årstid seizoen estación seizoen vuodenaika seizoen sezona seizoen stagione seizoen 季節 seizoen 계절 seizoen årstid seizoen pora roku seizoen estação do ano seizoen время года seizoen säsong seizoen ฤดู seizoen mevsim seizoen mùa seizoen 季节 Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|