schuren

Vertalingen

schuren

glätten, polieren, schmirgelnabrade, polish, sandpolir, frotter (contre), poncer, racler, récurer, frotter (ˈsxyrə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd schuurde , voltooid deelwoord
1.
voltooid deelwoord is geschuurd
sterk wrijvend tegen of over iets schuiven een gleuf in de muur van de ketting die er jarenlang langs geschuurd is
2.
voltooid deelwoord heeft geschuurd
door sterk wrijven (iets) glad maken met een schuurmachine een houten deur schuren