schuld

Vertalingen

schuld

Schuld, Ausstand, Vergehen, Schuldenblame, debt, fault, guiltdette, faute, culpabilité, tort, pouf, ardoise, débitdeuda, culpacolpa, debitoخَطَأ, دَيْن, لَوْمdluh, vinafejl, gæld, skyldατέλεια, φταίξιμο, χρέοςsyy, velka, vikadug, greška, krivnja借金, 責任, 非難과실, 비난, 빚feiltrinn, gjeld, skyldbłąd, dług, winadívida, culpaвинá, вина, долгfel, skuldการตำหนิ คำติเตียน, ข้อผิดพลาด, หนี้borç, hata, suçlỗi, món nợ故障, 欠款, 责备дълг (sxʏlt)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. geldbedrag dat je nog moet betalen hypotheekschuld speelschulden schulden maken Ik moet de bank nog een schuld van 10.000 euro afbetalen.
2. onschuld verantwoordelijkheid voor iets dat verkeerd gegaan is Ik kreeg er de schuld van dat er een fout in de rekening zat. Het is zijn schuld dat het ongeluk gebeurde.
<je zegt dit als iemand klaagt over het negatieve gevolg van zijn eigen handelen>