schop

Thesaurus

schop:

spadetrap,
Vertalingen

schop

(sxɔp)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -pen
opzettelijke harde aanraking met je voet iemand een schop geven

schop

Schaufel, Fußtritt, Grabscheit, Schüppe, Spaten, Treffen, Trittkick, shovel, spadepelle, bêche, coup, coup de pied, louche, coup de piedazada, azadón, jada, pala, patada, chute, pontapéجارُوف, رَكْلَةٌkopnutí, lopataskovl, sparkκλοτσιά, φτυάριlapio, potkulopata, udaraccalcio, palaシャベル, 蹴り삽, 차기skuffe, sparkkopnięcie, szuflaпинок, совокspade, sparkการเตะ, พลั่วkürek, tekmecú đá, xẻng, 铁铲 (sxɔp)
zelfstandig naamwoord subentry vervalt als onderscheid tussen mannelijk, vrouwelijk en 'de' vervalt meervoud -pen
stuk gereedschap waarmee je kunt scheppen (2) kolenschop
grondig veranderd worden Het kopen van treinkaartjes gaat binnenkort helemaal op de schop.