schok

Vertalingen

schok

Rütteln, Schütteln, Schütternchoc, décharge, impact, secousse, ébranlement, percussionchockصدمةchoqueช็อก休克σοκהלם休克choqueshockショックšokшок충격chok (sxɔk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -ken
1. plotselinge, hevige beweging aardschokken schokbrekers
2. elektriciteit wat je voelt als er een elektrische stroom door je lichaam gaat een schok krijgen
3. onverwachte, hevige emotie Dat hij na tien jaar huwelijk ineens homoseksueel bleek te zijn, was voor zijn vrouw nogal een schok.