schil

Vertalingen

schil

Schale, Borke, Hülse, Rindepeel, husk, bark, shell, rind, skinécorce, peau, coque, épluchures, enveloppe, épluchure, robe, gousse, pelureقِشْرَة, قِشْرَةٌslupkaskrælφλούδαpielkuorikorica, kožabuccia껍질skallskórkacascaкожица, кожураskalเปลือก, เปลือกผักหรือผลไม้kabuk, mevye kabuğuvỏ果皮 (sxɪl)
zelfstandig naamwoord meervoud -len
buitenkant van een vrucht of knol in de schil gekookte aardappels